Verhaal (21 januari 2020)

Verhaal (21 januari 2020)

Je vriendin raad je een bepaald boek aan. Je belooft het te zullen gaan lezen, maar het komt er niet van. Een paar maanden later neem je het toch ter hand. Met stijgende ontzetting wordt je dat boek ingezogen. Het onderwerp is de geschiedenis van de moeder van de schrijver. Ze weet niets, maar dan ook helemaal niets, over haar geschiedenis, behalve dan dat haar moeder uit de Oekraïne komt. Ze is geboren in Fürth. Haar moeder liep toen zij tien was de rivier de Regnitz in, elf jaar na de oorlog. Zij en haar jongere zusje waren nu alleen. Was er dan geen vader? Jawel, maar die was lang geleden in zijn innere emigratie verdwenen. Die norse vader zweeg. Die verdiende zijn brood in een Kozakkenkoor, en was vaak op tournee. Hun vader was ‘afwezig’. Zijn verhalen over Rusland, waar hij geboren was, waren al lang geleden met de Noorderzon verdwenen. Vanaf haar vijfde jaar leefden ze in Neurenberg in een aparte wijk, een soort getto voor vreemdelingen. Als klein meisje werd ze door haar klasgenoten regelmatig opgejaagd tot aan de grens van haar ‘asociale’ wijk. Zij moest vaak rennen voor haar leven.

Hoelang blijft een mens vreemdeling? Voor eeuwig?

Dat boek waarin ik verdween zoog mij in een bizar bestaan, waarbij waanzin de norm is. Terwijl het leven hier als een kabbelend beekje aan je voorbij stroomt. Als een vredig landschapsschilderij. Iets met een kudde schapen en een herder. Problemen zijn zelfs om de hoek van dit schilderijtje niet te vinden. Je bent ooit geboren, had een prettige jeugd, en je bent nu een sympathieke volwassene met een keurige carriëre. Je vrouw en je twee kinderen doen het goed. En ook je vriendenkring deugt en floreert.

Op het schilderij is het oorlog, de slag bij de Berezina, een rivier in Wit Rusland, de troepen van Napoleon zitten als ratten in de val. Het is winter, een strenge winter. Iedereen dreigt aan de vrieskou te bezwijken. Het schilderij, dat wil zeggen, een kopie daarvan, hangt in de ‘mooie’ kamer van mijn Oma en Opa. Ook hangt er in diezelfde kamer een ceramisch bord, geïnspireerd op de Jugendstil, waarop een vredesengel de vrede van 1918 aankondigt. Ze zweeft boven een dodenakker, op de voorgrond onder haar ligt een jonge soldaat. Op z’n rug, met zijn blik naar de hemel. Hij zal die vrede niet meemaken. Hij zal geen enkele vrede meer meemaken.

De moeder kwam uit Marioepol. En zo is de titel van dat boek ook: Ze kwam uit Marioepol. De schrijver wil graag weten hoe haar geschiedenis in elkaar steekt, en haar jongere zus ook. Zonder geschiedenis zijn kan niemand. Het internet bracht uitkomst, een zekere Konstantin met een Griekse achternaam, er woonden aan het begin van de twintigste eeuw veel Grieken in Marioepol, helpt haar op weg.. Daarna ontrolt zich de kleurrijke afschuwelijke geschiedenis van haar familie. Gelukkig blijkt haar tante Lidia, de oudere zus van haar moeder, haar dagboek geschreven te hebben. Dus ze leest het in één ruk uit, en haar familie komt tot leven.

Haar moeder zelf is in de mist van de geschiedenis verdwenen.

Op de schilderijen van Ferdinand Hodler, de Zwitserse kunstenaar, is de mist soms alom vertegenwoordigd. Je ziet vrijwel niets! Boven de mist, een groot grijzig geschilderd vlak, rijst de top van een enorme Zwitserse berg op. Genfer See mit den Sovoyer Alp, 1906. De titel zegt waar je bent, maar je ziet vrijwel niets. Zeer radicale schilderijen, die bijna voorstellingsloos zijn. Geen moer te zien, en van de berg alleen de top. Alsof je door de mist op zoek gaat naar de geschiedenis van je familie. Geen hand voor ogen te zien. Iemand hoor je vragen: ‘waar zijn we, waar zijn jullie?’

Zijn de anderen daar eigenlijk? En welke anderen zijn dat dan?

Je schilderij is uiteindelijk een monochroom vlak geworden. Dat was zeker niet je uitgangspunt. Aan het linnen is van alles voorbij getrokken. Het monochrome vlak is eigenlijk een monochroom reliëf. Daar zit een hele geschiedenis onder, die niet meer zichtbaar is. Maar wel aanwezig! Als een landschap waar ooit een veldslag geleverd is. Nu keurig aangeharkt, nieuwe bomen geplant, niets meer van te zien. Je hebt een hele particuliere filosofie over de dikte van verf. Je valt daar niemand mee lastig. En op openingen hoor je daar nooit, of hoogst zelden, iemand iets over opmerken. Hoewel er een keer, bij zo’n gelegenheid, iemand zei: ‘ken je het werk van Jean Fautrier?’ Ik moest bevestigend antwoorden: ‘ja, ik ken dat werk’. De verf moet dik zijn omdat die verf op zoek gaat naar sporen uit het verleden van het geschilderde object. Al verf aanbrengend wordt de weg, die tot ontrafeling van dat object kan komen, zichtbaar. Al schilderend geeft het onderwerp zijn geheimen prijs. En weet de schilder waar de weg naar toe zou kunnen gaan. Die weg, die verfweg, wordt ‘zijn’ weg.

Als een blinde mol graaf je je een weg door de ‘verbrandde’ aarde van dit boek. Je graaft met de schrijver mee. Als je dan toch nog iets vindt, dan moet dat uitgebreid bekeken worden. Net zo lang op kauwen tot een aanwijzing, hoe klein ook, zichtbaar wordt. Tastbaar wordt. Je handen wroeten in de aarde. Wroeten ze iets los? Iets dat we nog niet weten? Iets wat zich nog moet vormen, zoals klei in onze handen langzaam beeld wordt. Je gaat iedere dag gehaast naar je atelier om verder te werken aan dat ‘beeld’. Het beeld van de geschiedenis, de tragische Europese geschiedenis van de twintigste eeuw.

Het wolkendek breekt, een zwerm verhalen komt aanvliegen. Ieder van hen vertelt een Europees verhaal. Er zijn vrolijke verhalen, over volkeren die hun vrijheid hervinden. Liefdesverhalen die schaterlachen van pril geluk. Avontuurlijke vakanties, die je leren dat de wereld groter is dan het dorp van je jeugd. Verhalen die je, na lange afwezigheid, laten terugkeren naar je geboortegrond. Verhalen over oudere mensen, die beseffen hoe onbezonnen ze geweest zijn. Maar ook verhalen waarin afscheid de boventoon voert. Verhalen waarin kunstenaars het druk hebben met het oprichten van monumenten. Monumenten voor hen die niet meer zichtbaar zijn. Ooit, in het Muhka in Antwerpen, zag ik een tentoonstelling van Ilya Kabakov. In één van de zalen, op uitgestalde tekeningen, kon je zien dat er in de lucht heel veel mensen wonen. Maar je moet wel goed kijken, anders zie je ze niet. Die mensen doen dezelfde dingen als wij hier op aarde doen. Als in een spiegel kijk je naar hun gedragingen.

Van Natascha Wodin, de schrijver van dit boek, is zojuist een boek over de geschiedenis van haar ‘afwezige’ vader verschenen. De titel is: Ergens in dit duister.