verhaal (16 april 2023) – een geschiedenis

verhaal (16 april 2023) – een geschiedenis

Ik lees het boek ‘Congo: een geschiedenis’ van David van Reybrouck. Ik lees het op een veilige plek, namelijk aan de keukentafel. Als bewoner van het achterhuis van een negentiende eeuws herenhuis, zit ik zo ongeveer met m’n rug naar de wereld. Als je het herenhuis vanaf de straat ziet, en je kent het niet, ben je verrast hoe diep het pand is, als je eenmaal binnen staat. Het achterhuis grenst aan een tamelijk grote rustige tuin. Ik onderga de verschrikkingen van het Belgische kolonialisme vanuit een comfortabele design stoel van een beroemd ontwerper, in de tachtiger jaren aangeschaft voor een habbekrats, toen er weinig belangstelling meer was voor dit soort twintiger/dertiger jaren design meubelen, en je ze soms zelfs bij het afval op straat vond. Zwart-wit kijkers, noemde de Provobeweging boekenlezers eens spottend. Het klopt nog ook, je zou je, in theorie, kunnen ‘engageren’ met onze ‘verschrikkelijke’ wereld,
zonder ooit uit je comfortabele stoel op te staan. Actie voeren? Ho, maar. ‘Blijf zitten waar je zit, hou je adem in, maar stik niet!’, zingt het kinderlied. ‘Revolutionair zijn en strijden voor de ‘goede’ zaak met je eerste klas retourticket in je kontzak’, zei een cynicus eens, over de linkse kinderen van de bourgeoisie.

De verschrikkingen in het boek van Van Reybrouck doen je regelmatig de haren ten berge rijzen, en je vraagt je (voor de zoveelste keer) af, waarom wij mensen elkaar zoveel leed aandoen! Uit de zaal wordt cynisch geroepen: ‘Doe niet zo naïef man, ze doen niet anders, dat noem je mensheid!’ De volgende spreker is wat gematigder, en wijst op het beproefde ‘poldermodel’, de alom geroemde versie van het ‘gelukkige’ compromis, waar iedereen zich in kan vinden. Iemand achter het toneel gromt: ‘Of je nou door de hond of de kat gebeten wordt, wat maakt het uit?’ In tijden van overkill aan informatie heeft een mens, tenminste ik, de neiging om zich als een angstig kind onder de ‘veilige’ tafel terug te trekken. Hoewel ik, als volwassene, moet constateren dat het dáár ook niet altijd veilig is, denk bijvoorbeeld aan het, in ‘naïeve tijden’, van regeringswege verspreide advies om bij een bombardement (zelfs bij een atoomaanval) onder de tafel plaats te nemen, en ‘de dingen’ rustig af te wachten. Welke dingen? Nou, bijvoorbeeld: de ‘kleine atoomproef’ die jonge soldaten in Amerika, weliswaar op ‘veilige’ afstand, in de veertiger en vijftiger jaren, in de Alamo woestijn in de staat Arizona, bij wijze van proef, ‘mochten’ aanzien. Vanzelfsprekend, wel ‘beschermd’ door donkere zonnebrillen.

Ik wacht ‘de dingen’ rustig af, en ben zo successievelijk in ‘de avond’ van mijn leven belandt. Ooit, als gereformeerd jongetje, ingeklemd tussen mijn ouders, op de harde kerkbank, zong ik; ‘eens aan de avond van mijn leven’, verlegen mee. Geen idee dat er, voor ‘die avond’ een héél leven vol bizarre stommiteiten nodig was. Maar goed, dass war einmal.

Terug naar Congo, naar de iedereen overrompelende onafhankelijkheid van één juni 1960. Naar Patrice Lumumba, Joseph Kasevubu, en Moïse Tjombe. Joseph Mobutu staat al bijna in de startblokken om Zaïre te vormen naar zijn mal, waarin hij Zaïre ruim dertig jaar de keel zal dichtknijpen. Patrice Lumumba, is een goed half jaar na de onafhankelijkheid van 1 juni 1960, op 17 januari 1961, na gruwelijk te zijn gemarteld, samen met twee kameraden, op lafhartige wijze, geëxecuteerd. Zonder welke vorm van proces dan ook. Zijn lijk is spoorloos verdwenen (opgelost in zoutzuur), slechts een paar vergulde tanden van hem werd teruggevonden. Zij eindigden uiteindelijk in de Noordzee, daarin gegooid door de Belg die ze in handen had. In 1965 grijpt Joseph Mubotu (1930-1997) voor het eerst de macht, en vestigt zijn ellenlange, steeds wreder wordende schrikbewind. Hij eindigt als een bloeddorstige tiran. Laurent-Désiré Kabila zet hem in 1997 af, Mobutu vlucht en sterft datzelfde jaar in Rabat, Marokko.

2

Beeldend kunstenaars uit Zaïre (Congo)? Te veel om op te noemen! Antoinette Lubaki (1895-?), Albert Lubaki (1895-1954), PiliPili Mulongoy (1914-2007), Bela Sara (1920-1968), Mwenze Kibwanga (1925-1999), Chéri Samba (1956), Aimé Mpane (1968), Kaswende, Bodys Isek Kingelez (1948-2015), Tsjibumba Kanda Matulu (1947-1981), Moké (1959-2001), Chéri Chérin (1955), Odette Watshini Messager (1967), Kura Shomali (1979), Dominique Bwalya Mwomdo (1965). En dat zijn maar een paar namen. Van de laatste tref ik een afbeelding aan van het schilderij met de titel: ‘Qui révoque qui? Un cadeau d’or au Géneral Astucieux le 5-09-1960′ (2004). We treffen op dit schilderij drie personen aan die in het begin van de onafhankelijkheid een enorme rol gespeeld hebben, te weten: Joseph Kasavubu, Joseph Mobutu en Patrice Lumumba.
Afgebeeld in het boek ‘Congo Art Works populaire schilderkunst’, uitgegeven door het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren (België). Van Tsjibumba Kanda Matulu (1947- 1981 verdwenen) tref ik in het boek ‘The Short Century’ van Okwui Enwezor zes schilderijen aan over de tragische geschiedenis van Patrice Lumumba. Terwijl, één pagina verder in dat boek de schilder Kaswende Lumumba juist afbeeldt staand in een open auto, zwaaiend naar de hem enthousiast toejuichende bevolking van Leopoldville. Zulke politiek geladen onderwerpen zijn niet zo vreemd in een land dat in 1960 totaal verscheurd uit een koloniale periode van zo’n vijfentachtig jaar kwam, vanaf 1875, toen Leopold II, koning van België, Congo tot privébezit maakte, en dat daarna als Belgische kolonie verder leeggeroofd is. De zelfstandigheid van Zaïre is bitter bevochten.

Het boek ‘The Short Century’ van Okwui Enwezor (1963-2019), de eerste zwarte curator die een Documenta (11) in Kassel organiseerde, heet niet voor niets zo. Zijn boek behandelt de ontwikkeling van de cultuur, in de breedste zin, in Afrika, na het afschudden van het koloniale verleden. En veel van de namen van de kunstenaars hierboven genoemd, vindt je in dat fascinerende boek. Zoals reeds gememoreerd, begon voor veel Afrikaanse landen de onafhankelijkheid zo:n tien/vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog. De diverse kolonisatoren werden, vaak na een bloedige oorlog, naar huis gestuurd. Denk bijvoorbeeld aan Algerije, die in een wrede oorlog met kolonisator Frankrijk terechtkwam. De FLN (Algerijnse bevrijdingsbeweging) verklaarde Frankrijk in 1954 de oorlog, en in 1962 was daar dan eindelijk de onafhankelijkheid. President Charles de Gaulle zag in dat de kolonie opgegeven moest worden. Ook Nederland probeerde Nederlands Indië na de Tweede Wereldoorlog, met de politionele acties, op bloedige wijze, terug te winnen. Een wingewest laat je tenslotte niet zomaar schieten.

In het boek van Enwezor komen wij een heel spectrum aan kunstuitingen tegen, maar ik beperk mij hier tot de beeldende kunsten, en ook nog eens tot die van Zaïre (Congo). Héél lang bleef die kunst een lokale affaire, met nauwelijks internationale belangstelling, of het moest zijn dat die kunst daar ter plekke geproduceerd was door Europese kunstenaars, om vervolgens dan ook vooral in Europa aftrek te vinden. Een man als Enwezor was nodig om de zaak open te breken, en de spotlight op de actuele kunstproductie in Afrika te richten.

Antoinette Lubaki, Albert Lubaki, en Pilipili Mulomgoy laten ons een paradijselijk Congo zien, bij hun schilderijen is de associatie met Henri Rousseau (1844-1910) voor de hand liggend. Schilderkunst die op poëtische wijze uiting geeft aan een persoonlijke beleving van het dagelijks bestaan, in een stijl die Art Brut is gaan heten. Moké daarentegen toont ons het drukke stadsleven in Kinshasa. Veel uitgelaten mensen op overvolle terrassen tussen druk autoverkeer. Verbeeldingen van café leven, zowel overdag als ‘s nachts. Maar voor hetzelfde geld is het onderwerp een begrafenis midden tussen de verkeerschaos van miljoenenstad Kinshasa. Kortom, een levendige, in hoog tempo en vierentwintig uur voortgaande, krioelende stadsgemeenschap.
Bodys Isek Kingelez met zijn fascinerende maquettes van utopische steden zag ik voor het eerst op de tentoonstelling ‘Les Magiciens de la Terre’ (1989) in Centre Pompidou. Ik keek m’n ogen uit. Om daarna op de Documenta 11 opnieuw met zijn fantasierijke utopische wereldsteden geconfronteerd te worden. Of Chéri Chérin die o.a. zijn inspiratie haalde uit de talloze fraai beschilderde billboards en muurteksten, die je soms op zijn schilderijen aantreft. Een schilderij van hem vindt je op de omslag, het draagt de titel: ‘Le vhemin de l’exile’ (2004). De titel staat ook vermeldt op het schilderij, links boven. Mensen kijken angstig voor en achter zich, iemand wijst, met gestrekte rechterarm en wijsvinger in een niet zichtbare toekomst, twee vrouwen kijken met hem mee. De rest van de mensen kijkt angstig achterom, de man in het midden draagt een grote witte draagtas met een riem aan zijn rechterschouder. Het wit van een hoopvolle toekomst? Of een nieuwe doos van Pandora?

Ondertussen beluister ik van Vladimir Horowitz zijn laatste opnames. Het herinnert mij aan zijn fabelachtige optreden in Moskou in 1986, na terugkeer in zijn vaderland waar hij sinds 1928 niet meer geweest was, dat ik ooit op televisie zag. Nu speelt hij Frederik Chopin’s nocturne, op. 62. no 1. Die muziek brengt mij terug naar mijn vroegste jeugd, toen mijn jongste tante Annie deze pianomuziek voor mij speelde. Toen de wereld nog één groot wonder was, terwijl ik daar, op de grote, grijsgroene, fluwelen sofa ademloos luisterde. Toen de muziek van Chopin mij opnam in een wonderlijke ruimte waar je woorden achter je laat, omdat ze overbodig zijn geworden, zoals dat nu opnieuw gebeurt.