Verhaal (4 december 2019)

Verhaal (4 december 2019)

Op de boekenmarkt in Den Haag een prachtige catalogus van Gerrit van Bakel (1943-1984) gevonden, met als titel: de multiplex periode. Dit boek behandelt zijn objecten, meestal meubels uit multiplex, gemaakt tussen 1966 en 1975. Thuisgekomen bleek ik er al een exemplaar van te bezitten. Dus besloot ik hem aan iemand te schenken. Nou ken ik een kunstenaar die tevens meubelmaker is, hij leek mij de aangewezen persoon. Ik belde hem op en hij stelde het geschenk op prijs.

Als ik bij mijn vriend langs ga, en na genoten koffie, hem vraag of hij nog iets getekend heeft, antwoordt hij dikwijls bevestigend. Hij toont mij van tijd tot tijd zijn steeds groeiende indrukwekkende tekeningen, waaronder een serie houtsnedes op Japans papier, in uiterst boeiende variëteiten, gebaseerd op de menselijke schedel. Stapels liggen er. Soms organiseert hij een presentatie van zijn werk op zijn atelier, en dat is altijd weer een bijzondere ervaring. Ik ben blij zelf in het bezit van een paar van zijn werken te zijn.

Hoe lang blijven kunstenaars heden ten dage ‘fris’? Is dat een windvlaag op het internet.
Bekeken?
Oké, gezien!
Over tot de orde van de dag.

De ‘vluchtigheid’ van ons bestaan lijkt groter dan ooit, hoe manifest we ons ook op de sociale media presenteren. Ook het ‘bestaan’ van veel kunstenaars hangt, wat dat betreft, aan een zijden draadje. We staan met z’n allen te trappelen om zo zichtbaar mogelijk te zijn, om met de snelheid van het licht weer te verdwijnen. Laat ik dan maar eens op m’n voeten gaan staan, de stad in wandelen om daar tegels te tellen, en wellicht wandelt Jan Schoonhoven dan wel mee, die tenslotte in Delft (zijn woonplaats) goed om zich heen gekeken heeft. En ‘tegels tellen’ vast een boeiende bezigheid vond. Is simpel om je heen kijken dan de eenvoudige voorwaarde om tot het maken van kunstwerken te geraken? In plaats van (beroemd) in het vliegtuig te stappen om ergens je (bewonderde) kunstje te vertonen, zonder last te hebben van gebrek aan kennis over lokale omstandigheden en gevoeligheden. ‘Ach joh, ze spreken toch overal Engels’, zoals een kunstenaar mij ooit zei. Een soort rechtvaardiging voor ‘het nieuwe kolonialisme’. Tenslotte zorgt die ene taal ervoor dat wij elkaar mondiaal ‘begrijpen’. Dus hoeven we nooit meer ‘vreemdeling’ te zijn. Is dat geen geruststellende gedachte?

Het werk van Gerrit van Bakel zag ik voor het eerst in het Van Abbemuseum in Eindhoven (1981). Rudi Fuchs was daar toen directeur, hij had Jean Leering opgevolgd, en zijn tentoonstellingsbeleid leverde de mooiste tentoonstellingen op, en ik probeerde er niet één te missen, zo goed vond ik ze. Dit keer waren de ‘machines’ van Gerrit van Bakel te zien. Ik kende de beste man niet. In het elegante circuit van zalen, het museum had nog geen nieuwbouw, stonden ze opgesteld. Soms maar één ‘machine’ per zaal. De een nog fascinerender dan de andere. Een tekst leerde me dat ze allemaal konden bewegen, maar bij sommigen zag je dat nooit. Ik herinner me er één die je niet zag bewegen, de Berlijn machine, hoewel hij dat wel kan. Of de Londen machine, die alleen door mist in beweging komt. Andere ‘machines’ bewogen héél traag. In zijn tentoonstelling gebeurde er ‘schijnbaar’ niets. Toch probeerde mijn geest deze razendsnelle ‘niet’-beweging te volgen. Maar meestal hing ik afgemat tegen de touwen. Wat gebeurde hier?

Op een tegel stilstaan. Dan voorzichtig één been optillen om aandachtig over de grens van twee tegels te gaan. Om vervolgens op de volgende tegel stil te staan, en eens aandachtig om je heen te kijken.

Tijd is een wonderlijk verschijnsel. Soms duurt de tijd eindeloos, dan weer stroomt hij als water door je vingers. Als de tijd vrijwel stilgezet wordt, lijkt de ‘beleving’ van de dingen ineens een probleem te worden. Daar stond ik dan, alleen in een museumzaal en een ‘ding’ hield mij gezelschap. We spraken niet, en met ingehouden adem, probeerde ik het ‘ding’ op beweging te betrappen. Eigenlijk op een teken van leven. Dat lukte nooit.

Ik loop de voordeur uit en sta in het portiek, een meisje passeert mij. Zij praat honderduit, maar is niet in gezelschap. Zij praat aan één stuk tegen haar telefoon, en kijkt niet op of om. Wat nou geen gezelschap? Altijd gezelschap! Nooit meer alleen! Geen honderd jaar eenzaamheid meer.

Een illusie van ‘verbondenheid’ zit er bij de ‘machines’ van Gerrit van Bakel niet in. Zij verbergen hun vermogen om zich te verplaatsen over onze aarde zorgvuldig. Hun constructie is weliswaar van een grote schoonheid, maar hun karakter is zeer gesloten.

Hun houding is uitermate dubbelzinnig, zij fascineren ons om wat ze kunnen, maar dat laten ze ons vrijwel nooit zien. Dat moeten wij in onze verbeelding voltooien. Achter onze rug voltrekt zich hun activiteit. Wij blijken niet altijd ‘participant in alles’ te kunnen zijn. Soms hebben we maar af te wachten.

De grote, grote oceaan sterkt zich uit tot de horizon. En ik vermoed tot ver daarachter. Zal ik ooit aankomen? Of zal ik rusteloos als ‘de vliegende Hollander’ mijn doel nooit bereiken? Zal ‘de beweging’, die ik over de aarde probeer te maken, zich telkens weer terugtrekken en mij steeds opnieuw op dezelfde plaats achterlaten?

Ik begin te begrijpen , met de snelheid van een schildpad, dat de tegel waarop ik sta veel groter blijkt dan ik ooit kon vermoeden. Alleen moest ik er eerst op gaan stilstaan.

Rien Monshouwer

 

De genoemde kunstenaar en meubelmaker is Jan Hoogervorst.