In gesprek met de Twentse Kunst Alliantie

Video-performance-verzamelaar Petros Panagiotis Orfanos (1991) benut de beperkte actieradius van de anderhalvemetersamenleving om te reizen binnen verschillende regio’s in Nederland. Onderweg komt hij in contact met een ander kunstklimaat dan hij in Amsterdam gewend is. Een bezoek aan Laren in Noord-Holland leverde Orfanos een nieuw gesprek op over de Twentse Kunst Alliantie.

Beeldend kunstenaar Willemijn Calis woont in Enschede. Zij is een van de leden van de Twentse Kunst Alliantie. Calis vertelde dat ze graag samen met mij in Laren wilde wandelen, omdat haar vader daar vandaan komt. De beste vriendin van mijn grootmoeder heette Calis, en ik vertelde dus dat de Calissen in 1982 veel rond Roeselare (West-Vlaanderen) woonachtig waren, maar dus ook in Laren, waar het een veelvoorkomende naam is. Mijn grootmoeder vertelde mij dat de eerste drie burgemeesters van Laren allen de naam Calis droegen en dat de naam waarschijnlijk afgeleid is van het Franse Calais.

In Laren liepen Calis en ik langs café Het Bonte Paard, dat is opgericht door voorouders van haar grootmoeder. Er tegenover staat een beeld van een schaapherder gemaakt door Willy Mignot. Via de bekende Wulfenbank en de Mauvepomp liepen we door naar poffertjes- en wafelenkraam Cornelis de Haan, waar we verder spraken over haar kunstpraktijk:

Willemijn: ‘Ik ben na de Gerrit Rietveld Academie naar de Academie voor Kunst en Industrie in Enschede (AKI) gegaan. Ik studeerde er aan de schilderafdeling maar ben in 2016 afgestudeerd met een video + stop motion: een bewegend schilderij.’

Petros: Geïnspireerd op de animator Jan Svankmajer (1934) en de filmregisseur David Lynch (1946)? Ik denk dan aan de animatie Six Figures Getting Sick (Six Times) uit 1967.

W: ‘Ja, ik was altijd gefascineerd door stop motion en ik vond Svankmajer fantastisch. Met name de film Alice (Tsjechisch: Neco z Alenky, 1988) intrigeerde me. Tijdens het schilderen stokte het altijd een beetje. Ik wist nooit zo goed welke kant ik op moest. En toen dacht ik: Als ik van stop-motion hou, waarom zou ik dan niet schilderen en het proberen te laten bewegen? Anderhalf jaar voor mijn afstuderen kreeg ik daar, na het zien van een documentaire over William Kentridge, een beetje lol in. Doordat ik bezig was met dingen laten bewegen, schilderen en film kwam alles bij elkaar. Svankmajer was de eerste inspiratie en Kentridge werd ook een voorbeeld. Na mijn afstuderen wilde ik eerst een jaar rust en daarna heb ik me ingeschreven bij Tetem – presentatieplatform van creatieve makers en denkers, waar je begeleiding op maat kreeg. Ik kon meelopen met exposities etc.’

P: Was dat bij een expositie waar beeldend kunstenaar Joyce van Heek onderdeel van uitmaakte?

W: ‘Had zij niet iets met materiaal gedaan? Met stof?’

P: Ja, het was een groepstentoonstelling met de nazaten van de textielondernemer Gerrit Jan Van Heek (1837-1915), een vooraanstaand textielondernemer in Enschede. De naam van de expositie luidde ‘Textiel, Textuur, Tekst’.

In gesprek met de Twentse Kunst Alliantie
Beeldend werk (2015) door Joyce van Heek. Fotografie: Hong Kie Tan.

W: ‘Ik heb die expositie wel gezien, maar ik liep niet mee tijdens het voorbereiden van die expositie. Op een gegeven moment mocht iedereen die meedeed aan het talent and development traject meedoen aan een pitch voor de Cultuurprijs Overijssel. Tijdens die pitch van twee minuten ging bij mij alles mis. De techniek hield ermee op en mijn hele visuele presentatie viel weg, dus ik heb toen iets geïmproviseerd. Ze vonden het blijkbaar bewonderenswaardig dat ik alsnog die pitch had gedaan, en daarna werd ik genomineerd voor die prijs. Op een gegeven moment had curator en projectmanager Ella Buzo me erop geattendeerd dat er iemand een groep aan het opzetten was, die zich bezighield met iets tussen theater en beeldende kunst in, en dat sprak mij aan.’

‘De Twentse Kunst Alliantie werd opgericht door BranRemie. Terry Akins, Simon Wagter en Vita Zuiderwijk zijn er vanaf het begin bij. Anne Willemstein kwam erbij vanaf Kairos. Ik heb toen gezegd dat ik me graag wilde aansluiten. Er was al een soort van groepje en ze waren dus al bezig, maar bij de tweede voorstelling werd ik toegelaten. Het was heel experimenteel- en er zaten heel verschillende soorten kunstenaars bij: mensen van het conservatorium, mensen met een theaterachtergrond, beeldend kunstenaars- en ja… Misschien sowieso goed om te vertellen dat ik een tijd theaterwetenschappen heb gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam, maar ik heb toen toch vrij snel voor de kunstwereld gekozen. Ik houd heel erg van theater- en van de maakkant.’

P: Waarom heb je nooit gestudeerd aan de Academie voor Theater en Dans? Je hebt daar volgens mij productie en podiumkunsten, DAS Creative Producing, DAS Theatre of Mime?

W: ‘Ja, goede vraag. Ik heb een paar keer toelating gedaan in Maastricht voor theater, maar ik ben er nooit aangenomen. Mijn zelfvertrouwen heeft toen een behoorlijke deuk gekregen. Ik heb eerst de kunstacademie moeten doorlopen om te ontdekken dat ik wel degelijk iets te bieden heb binnen die sector.’

P: Hoe zou je de Twentse Kunst Alliantie omschrijven? Is dat iets tussen theater en beeldende kunst in?

W: ‘Het is een groep die tot uitvoeringen komt- en ze noemen het niet eens theaterstukken. We beginnen met niets, repeteren een keer per week en werken dan super snel naar iets toe.’

Twentse Kunst Alliantie’s Palindroom (2020)

P: Kun je een voorbeeld geven? Het doet me een beetje denken aan The Mutoid Waste Company: een straattheatergezelschap, waar met straatafval werd gewerkt, onder leiding van Joe Rush (1960). Beeldend kunstenaar Lennie Lee (1958) – een vriend van mij – was nogal gebiologeerd door Rush en begon toen met enkele gelijkgestemden ook werk te maken met vuilnis van de straat en projecten te organiseren. Hij voegde zich bij groepen zoals Department of Hate and Social Sickness (DHSS) en the ARC Group. Iets dat geïmproviseerd lijkt vanwege het feit dat je snel naar iets toe werkt, terwijl het ook geregisseerd en weldoordacht is, dat doet me denken aan Prof. Russolo, die met Miss QQ wekelijks zijn performances uitvoert op het Max Euweplein in Amsterdam. Enfin…

W: ‘Ah ja. Uhm, nou om een voorbeeld te noemen… Het uitgangspunt van een project was het gebruik van ruimte als concept. We noemden het project ‘Gebarsten ruimte’. In het Vestzaktheater in Enschede repeteerden we, en we wilden eigenlijk dat er van alles in het gebouw gebeurde. Bezoekers kregen geen instructies, ze mochten vrij rondlopen. Zo ontdekte men dat er overal iets gebeurde. In die ruimte waren allerlei losse scènes te zien. Ik speelde een absurde barvrouw die niet reageerde als mensen iets bestelden en beantwoorde hun vragen met een vreemde dans.’

P: Lynchiaans?

W: ‘Ja, ik wilde graag een absurde barvrouw spelen, maar op een enkeling na bestelde er niemand iets. Uiteindelijk begrepen ze niet dat het een rol was, dus dat was wel grappig. Het was allemaal vreselijk experimenteel. Er was ook een kleine video te zien, over de ruimte, of het doorbreken van de ruimte. Dat was dus de eerste voorstelling waar ik aan meedeed. Daarna hebben we nog twaalf projecten georganiseerd, waarvan vier tijdens de coronaperiode.’

Museum of counterculture a.k.a. RAF Gallery, installatie (Lennie Lee’s studio), 1990.
The Ark, installatie door The Arc Group, 1990.
The Ark, installatie door The Arc Group, 1990.
Twentse Kunst Alliantie’s Palindroom (2020)

P: Wat organiseerde je nog meer?

W: ‘De Grote Simon Wagter Show. Simon had een documentaire over zichzelf gemaakt. Hij speelde zichzelf- en is ook lid van de Twentse Kunst Alliantie. De show werd georganiseerd tijdens zijn verjaardag. Daarna hadden we nog een stuk georganiseerd over Kairos, de Griekse personificatie van de gelegenheid. Vervolgens hebben we Beeldbiecht (2019) gemaakt, waar we een foto als uitgangspunt gebruikten. Alle mensen die op de foto stonden, vertolkten in hoofdstukken een verhaal. Toen slaagden we heel goed in het samenbrengen van alle onderdelen.’

P: En daarna ging je aan de slag met de filmregisseur Lars von Trier (1956), als onderwerp?

W: ‘Ja, we hebben toen een paar maanden niets gedaan, vanwege corona. We dachten aan het maken van een film, als concept. Ik ben een groot fan van Lars von Trier en Dogma 95.’

P: Dogma 95 is een Deens verbond van regisseurs, waaronder Lars von Trier, die zich aan dogma’s hielden, zoals de filmregisseur die niet op de aftiteling wordt genoemd, het verbod van optische effecten en filters, geluid dat niet los van film mag worden gebruikt etc.

W: ‘Met alle coronaregels dachten we: ‘Wat als we nou nog erger maken- en dus nog meer regels invoeren. We hebben toen tijdens een aantal skype sessies een document met een lijst van beperkende regels opgesteld.’

In gesprek met de Twentse Kunst Alliantie
Tot het bittere eind (2020)

P: Een manifest?

W: ‘Ja, zoiets. Maar meer nog een handvest waar we ons aan hielden. We hebben afzonderlijk van elkaar opnames gemaakt in een ruimte op vaste tijden, en daarna hebben we die filmbeelden bij elkaar gebracht. Gaandeweg zijn er nog regels bijgekomen, maar andere regels hebben we weer achterwege gelaten. We hadden aanvankelijk het idee om de 1000 meest gebruikte woorden in de Nederlandse taal te gebruiken, en dat we pas klaar zouden zijn als al die woorden door ons waren uitgesproken, maar dat bleek niet te doen.’

P: Een beetje a la Georges Perec of Francois Rabelais?

W: ‘Ja, zoiets. We hebben toen de bijeengebrachte beelden bij Concordia ten toon gesteld in een filmscreening. De filmprogrammeur van Concordia, Mark Drenth, die ook een Dogma 95 fan is, heeft toen nog halverwege een filmpje opgenomen om ons project te promoten. In november hebben we een filmavond georganiseerd, de hele film samen met de documentaire ‘The Five Obstructions’ (2003) van Jorgen Leth en Lars von Trier en een inleiding door Mark Drenth over Dogma 95.’

P: Het werd dus eigenlijk een multimediair maar ook een transmediair programma, waar film, een lezing en het maakproces door elkaar heen loopt? Het wordt dan eigenlijk een semantische discussie, met vragen als: ‘Is dit film of toneel, of is dit een reactie op film?’ Denk je dat de Twentse Kunst Alliantie door de integratie van theater anders is dan wanneer jullie enkel uit autonome beeldende kunst zouden putten? Performance art, dat gaat mijns inziens meer om de inzetbaarheid van ‘het lichaam,’ wat eerder onder beeldende kunst valt, maar theater, valt dat er niet buiten?

W: ‘Zo kijk ik er ook naar. Ik denk dat er een wezenlijk verschil van werken is. Theatermensen werken veel concreter naar een einddoel toe.’

P: Zij gaan misschien bewuster met publiek om, of niet?

W: ‘Zeker. En als kunstenaar weet je niet eens of je werk wordt gezien, wanneer of hoe. Een schilderij maken, dat doe je in eerste instantie voor jezelf.’

P: Dat directe communicatieve aspect lijkt mij bij theater veel relevanter dan bij beeldende kunst, waar minder belang wordt gehecht aan hoe het wordt ontvangen. Hoewel die regel natuurlijk niet altijd opgaat, want bij anti-theater, met absurdistische toneelschrijvers zoals Eugene Ionesco, Samuel Beckett, Arthur Adamov, Friedrich Durrenmatt is die expliciete communicatie misschien ook veel minder relevant. Maar misschien is het onzin wat ik nu zeg, want daar ligt de focus juist op de irrationele aspecten van het leven en het benadrukken van een zekere mate van doelloosheid.

W: ‘Beeldend kunstenaars kunnen zich een stuk asocialer opstellen, denk ik. Ze kunnen gewoon doen wat ze willen doen, zonder zich bezig te houden met publiek.’

P: Denk je niet dat het ligt aan de insteek van de dramaturg etc?

W: ‘Oh ja, dat denk ik wel hoor. Maar de Twentse Kunst Alliantie heeft daar veel over gesproken, ja. Bij theater is er meer een dramatische lijn dan bij beeldende kunst.’

P: Een duidelijker uitgangspunt?

W: ‘Ja, zo duidelijk, dat het misschien niet meer interessant is.’

P: Een beetje afgezaagd, wellicht?

W: ‘Ja. Je hebt een plan, concept, en daarna ga je als acteur al de vloer op of improviseren met tekst, maar dan kun je nog heel veel veranderen aan de beleving. De moeilijkheid bij ons is dat de drie verschillende disciplines: muzikanten, beeldend kunstenaars en theatermakers samen iets maken, terwijl er een heel divers uitgangspunt is. Het maakt het wel des te interessanter.’

Anarchy Restaurant, installatie (lennie Lee), 1990
Prof. Russolo. Fotografie: Maria Cavali.