Kintsugi, de vormende leegte

Kintsugi, de vormende leegte

In het Bonnefantenmuseum liep ik per toeval tegen een heel kleine opstelling aan met de titel kintsugi. De kunst van het lijmen van de scherven van potten of kopjes met als resultaat een mooier geheel dan de het oorspronkelijke voorwerp. De breuklijnen worden het nieuwe decoratieve motief. Maar het is meer dan decoratie omdat de breuk door en door is. De gelijmde breuk, met goud of zilver geaccentueerd wordt een deel van de vorm maar is tegelijkertijd een zelfstandig element binnen het geheel. De breuk, die eigenlijk een leegte is tussen de scherven, wordt het nieuwe bepalende element.

Er ontstaat een spanning tussen de vorm van de pot en de breuk die de vorm accentueert en ondersteund maar ook onderbreekt en doorbreekt. Bij Sanne Vaassen gaat het om gevonden scherven die ze weer heeft aangebracht in gemetselde muren. Het gaat om herinneren. Om geschiedenis. En ze gebruikt de scherven om er herstelwerkzaamheden mee te verrichten. Hier gaat het niet om de breuk maar om de scherven.

Kintsugi, de vormende leegte

Verder wandelend naar wat de restauratie-afdeling bleek te zijn, liep ik een heel donkere zaal binnen met enkele kerkelijke voorwerpen en het werk van Johan Tahon. Wacht, ik voeg eerst een reeks foto’s in om de lezer te laten zien waar ik naar toe wil:

Ook hier komt de vraag terug van het geheel en de breuk. Hier is de breuk niet versierd maar is het geheel slordig overgoten met wit. Maar dat is enigszins toeval want een verdieping hoger is er te midden van meerdere andere tentoonstellingszaaltjes, nog een andere expo van Tahon. Hier zien we vooral gipsen totalen waaraan nu en dan een fragment, van diverse materialen, is toegevoegd.

Beide tentoonstellingen zijn voorzien van een gedicht. Het gedicht bij de tentoonstelling Wir Uberleben das Licht, is van Till Lindemann (de zanger van Rammstein). En zo is ook de titel van de expo bij de restauratieafdeling de titel van een gedicht; Ich, van Lindemann. Ich is gemaakt van keramiek, steengoed. En de andere tentoonstelling bestaat uit gips. Bij allebei zijn de werken wit. Tahon, wiens werk ook nog te zien is in Boymans in Rotterdam, maakt niet alleen beelden maar hij voert er hier ook een interventie uit. Zijn werken staan tussen houten middeleeuwse beelden en hebben een vergelijkbare esthetiek. Een vergelijkend voelen dat over de grens van haar beeldtaal wil werken. Maar anders dan bij de middeleeuwse beelden, zijn de beelden van Tahon in één beweging gebroken en geheeld. Het zijn fragmenten, zelfs als ze compleet zijn, die tegelijkertijd scherf en eenheid vormen. Het is de vraag of je het hier moet hebben over breuken (littekens) of over fragmenten. Beide vormen het werk en het wordt geaccentueerd met het wit dat erover heen wordt gegoten of waaruit het al bestaat. Het is mijns inziens juist die witheid die het werk vormt. Niet de vorm. Niet de fragmenten of de scherven, en ook niet de breuken.

Deze kleur die geen kleur is, is een aanleiding, een aanzet tot het ongrijpbare. De fragmenten, de scherven, verdwijnen onder die witheid. Niet om er een eenheid van te maken, want die ontbreekt ten ene male, maar om te accentueren dat eenheid niet mogelijk en vooral niet noodzakelijk is. Het grenst daarom ook aan het onderliggende principe van kintsugi, het wabi sabi. De schoonheid van de imperfectie. En het stelt daarmee de schoonheid zelf ter discussie. De schoonheid als vergelijkend beoordelingskader wordt hier zinloos . Het wit als non-kleur vervult de rol van een toedekkende deken waar niets onder zit en wat slechts de vorm is van dat wat er al is. Het wit is de vorm.

De onderliggende materialiteit vervalt, omdat ze deel is van het wit of zelfs het wit is. En in zekere zin zien we hier het moment waarop in veel teksten die over zijn werk gaan het al snel over de ongrijpbaarheid van dit werk gaat Een gevoel dat mij nog achtervolgt terwijl ik dit stukje schrijf. Het werk komt los van haar materiaal. Zoals bij het sacrale werk van Bach zijn het niet langer meer de noten die het werk maken maar het ensemble van de noten dat het werk boven haar materialiteit uit laat stijgen en daarmee on(be)grijpbaar wordt. Maar hier moeten we oppassen. Is dit een opstijging of een wereld naast de materialiteit? Is dit zoveel anders dan we gewend zijn dat we de noodzaak voelen tot een verklaring die iets in de hoogte plaatst of die een andere dan onze wereld moet doen veronderstellen? Mogen we steeds van kunst vragen om dit te doen en wordt het daarmee niet overbelast met onze verwachting of onze wil om een dergelijke uitweg van het onbegrijpelijke te kiezen door het als de grote hoogten of de parallelle wereld te beschrijven?

Kintsugi, de vormende leegte

Misschien moeten we ons daarom juist ook richten op de woorden die deze beelden vergezellen. Normaal zou ik teksten afwijzen omdat deze vooral een vernauwing van onze blik veroorzaken in een poging de inhoud begrijpelijker te maken. Ik heb hier in voorgaande stukjes vaker op gewezen en we zien hier ook de gevaarlijke rol van de curator (zie een eerder geplaatst artikel waarin Van den Breambussche werd aangehaald). We komen in deze beschouwing terecht in wat Van den Breambussche het onuitsprekelijke van de kunst noemt, het mystieke of de stilte van de Tao of Zen, in de kunst als tegenstelling met het mediamieke.

"Toch bestaat er een cultuur van de stilte, die meer is dan een heimwee naar lang vervlogen tijden. Er is een beeldcultuur van de stilte, die haaks staat op het mediabeeld. Het mediabeeld is ontdaan van elk geheim, van elke diepte, elke verborgen dimensie, die langzaam ontsluierd moet worden. Het geheim, de distantie, de macht van het onzichtbare is verdwenen. Volgens Baudrillard wordt hierdoor het universum letterlijk onttoverd: alles wordt zichtbaar, transparant, waardoor een einde komt aan elk geheim, en zelfs de macht van de illusie, de betovering voor het oorspronkelijke, verloren gaat... De stilte in de beeldcultuur heeft precies te maken met de herbetovering van het beeld, een visuele cultuur, die juist uit verstilling bestaat en die hieraan haar diepe fascinatie, haar geheimzinnige kracht ontleent. Een eerste dimensie van deze verstilling is ongetwijfeld de vertraging, verlangzaming, zelfs de absolute stilstand van het beeld. Maar zij gaat of graaft veel verder: zij is een poging om aan de dingen, zelfs de meest alledaagse voorwerpen hun mysterie terug te geven, hun onvatbaarheid, hun magie, hun immanente onkenbaarheid en zelfs ontoonbaarheid."
( http://estheticatijdschrift.nl/wp-content/uploads/sites/175/2014/09/16vandenbraembussche.pdf)

Maar dit mystieke, de stilte, de ruimte die tussen de noten zit, de stilte in de tekst van het gedicht is ook haar materieloosheid. Het is de leegte van het witte vel, de leegte van het onverwoordbare. Alleen de dichtkunst laat toe dat er woorden naast een beeld geplaatst kunnen worden. Ze vormen geen uitleg of toelichting, ze vormen geen aanvulling of samenwerking maar zijn gelijken. Ook hier zijn de woorden de vorm, de deken die is wat er is. Het is de stilte van de dingen zelf. De woorden vormen een witte deken met de kracht van een sneeuwdek of de witheid van een levenloos gelaat. Het is de witheid van het alledaagse, een kom rijst of een bloemkool. Het is de stilte van het wit dat, zoals Magritte in een brief aan Foucault schreef, ‘in feite wordt opgeroepen door het zichtbare en het onzichtbare, en dat in rechte kan worden opgeroepen door het denken dat de “dingen” in de orde die het mysterie oproept, samenbrengt’.

Maar ik zou hier graag de stilte van het werk willen aanvullen door het niet-materiële van het werk te benoemen. Het wit dat geen materie is, zoals een witte mist die alles verhult, is hier de vorm zoals ook de woorden van het gedicht een deken vormen die de vorm is die het is; de woorden. Serres, de Franse filosoof beschrijft in de vijf zintuigen hoe we in de dingen de vleugelslag van de engelen kunnen voelen. Een vleugelslag zo licht dat we dit voelen gelijk verliezen als we aan inhoud willen denken of in analyse uiteen halen of in verstarring bezegelen.

Ich

Außen bitterbunt

pechschwarz mein Geblüt

gelber Kuss

farblos meine Seele blüht

 

Das rot bekommt der Morgentau

Und die Schenkel der Engel

giftgrün für die See

für Tiere fettes tiefes Blau

schwarz verschenkt ich nie

 

Ich verteile Farben

die ich den Menschen stehle

saug die Coloren aus den Augen

und schmiere sie auf meine Seele

 

(Till Lindemann)